Ik hou van Jo Van Damme’s pen. Ik verslind al jaren zijn columns. Samen met KNACK’er Koen Meulenaere goed voor Vlaanderen’s beste satire. Het is dan ook een hele eer om dit weekend centrale gast te zijn in Parbleu!

De vorst en de vrieskou

De vorst en de vrieskou

‘Wat is dat toch met u, meneer Francken? Om de andere dag komt u met een ander bezwaar tegen mij en mijn familie aanzetten’

Het was de barste dag van het jaar en heel het koninkrijk kreunde onder de winter. Nergens echter was de vrieskou bijtender, de wind guurder en de mist hardnekkiger dan hier, in dit deel van de Belgische Ardennen, op de rotsen hoog boven de Lesse. In dit landschap troffen wij Theo Franken aan.

Het N-VA-kamerlid had het al van in het begin een bijzonder vreemde uitnodiging gevonden, maar zijn nieuwsgierigheid had het gewonnen van zijn wantrouwen. Hij had een rode das geknoopt – zijn battledress als hij ergens de Vlaams-nationale zaak moest gaan bevechten – en was strijdvaardig aan de verre, eenzame rit begonnen. Toen hij het kasteeldomein van Ciergnon opreed, was hij opgelucht dat hij eindelijk nog eens een levende ziel zag, een bekend gezicht tevens, zij het niet meteen van een medestander.

‘Kom binnen, mon cher. Gemakkelijk gevonden?’, verwelkomde de gastheer hem allerhartelijkst.

‘Dat viel mee, sire’, antwoordde Theo Francken koeltjes, hier bedoeld in figuurlijke zin. Hij verbaasde zich erover dat zijne majesteit zelf de deur kwam openmaken. Nog meer verwonderde hem de uitdossing van de koning der Belgen: deze oogde niet bepaald formeel, zag er eerder sjofel uit. De vorst (we bedoelen dan de persoon, niet het weertype) droeg verschillende lagen truien en jassen boven elkaar en had een wollen muts diep over zijn oren getrokken. Geruite pantoffels en een dikke sjaal werkten het plaatje af.

‘Hier, pak aan’, sprak de koning, terwijl hij zijn gast een bedsprei aanreikte. ‘Sla dit maar om uw schouders, mijn beste, het is wat frisjes binnen.’

Dat was niet gelogen. Het N-VA-kamerlid merkte dat ook binnen de muren van het kasteel nog elke ademstoot in damp veranderde. Hij kon de aanvechting niet bedwingen om met zijn voeten op de grond te stampen om zich wat op te warmen.

‘Ja, een kasteel in de Ardennen, de mensen zien daar alleen het schoonste van. Maar 42 kamers, hoge plafonds, kieren en tochtgaten aan alle kanten, een mens stookt zich daar een ongeluk aan’, jammerde de vorst terwijl hij voorliep naar de achterkeuken. Daar was de enige bron van warmte een aftands straalkacheltje. IJsbloemen tekenden zich af op de ruiten. ‘Het is de enige plek in dit rotkasteel waar het niet vriest. Maar straks zullen we misschien de haard kunnen aansteken’, kondigde Albert aan, ‘Mijn echtgenote is momenteel in het bos wat hout aan het sprokkelen.’

Theo Francken vond het allemaal goed en wel, maar wilde nu toch zo langzaamaan eens vernemen waaraan hij deze vreemde audiëntie te danken had. Een beredeneerde gok: zijn interventie in de commissie Binnenlandse Zaken eerder deze week was de koning in het verkeerde keelgat geschoten. Francken had geïnsinueerd dat Albert zich door het plaatselijke OCMW had laten betalen voor de opvang van een Afghaanse familie asielzoekers in een woning op het domein van Ciergnon. Deze informatie bleek niet over de hele lijn te kloppen: de koning had nooit een eurocent gevraagd en nooit een eurocent gekregen.

De vorst sprak het kamerlid daarom als volgt toe, geduldig, zij het ietwat grimmig: ‘Het OCMW betaalt weliswaar de elektriciteit en de verwarming van onze Afghaanse buren in hun prima gerenoveerde woning. Daar ben ik trouwens heel blij om, want waar zouden mijn echtgenote en ik dezer dagen anders moeten aankloppen om onze oude knoken nog eens op te warmen, om nog eens een warme douche te nemen? Vriendelijke, sympathieke mensen, onze Afghaanse buren. Zij wonen hier al twee jaar en vinden het hier allemaal prima geregeld. Waarom bent u daar dan zo door gebeten, meneer Francken? Hoeveel asielzoekers geeft u dan misschien zélf onderdak?’

In alle andere, minder onderkoelde omstandigheden had het N-VA-kamerlid een snedige repliek geproduceerd bevattende de woorden ‘kaakslag’, ‘profitariaat’ en ‘twijfelachtige barmhartigheid’. Maar Francken, die zijn billen onderhand aan het formica zitvlak van zijn achterkeukenstoeltje voelde vastvriezen, kon alleen maar verlangen naar het moment dat hij weer in zijn verwarmde wagen zou zitten.

‘Wat is dat toch met u, meneer Francken?’, ging de koning daarom voort. ‘Om de andere dag komt u met een ander bezwaar tegen mij en mijn familie aanzetten. U vecht onze dotatie aan, u beweert dat onze Laurent een dikke Mercedes cadeau heeft gedaan aan mevrouw Van Wanten, u eist de Atoma-schriftjes van wijlen mijn broer op, straks gaat u nog beweren dat mijn vader fout was in de oorlog. Ik herhaal mijn vraag: wat is dat toch met u?’

Francken haalde zijn schouders op, zowat de enige beweging waar hij nog toe in staat was.

‘U houdt niet van mijn familie’, zuchtte de koning. ‘U wilt dat ik met pensioen ga. Wel, ik kan u verklappen: ik wil ook niet liever. Maar uw inspanningen zijn contraproductief. Hoe meer u op mijn koningschap inhakt, hoe populairder ik word. Iedereen is immers bang voor wat er na mij komt, en dus houdt men mij op post. Maar ik ben 77, ik heb een bootje in Frankrijk, gun me nu toch eens een rustige oude dag.’

Op dat moment verscheen hare majesteit in het deurgat: een deerniswekkende figuur. Ook zij was gehuld in verschillende lagen lompen, een muts op haar verkleumde kopje, ijspegel onder aan haar neus. In haar handen hield ze enkele dorre takken, een paar zwavelstokjes ook.

‘Ik heb van onze Afghaanse buren een blik bonen cadeau gekregen’, piepte ze. ‘Misschien kunnen we dat opwarmen en dan samen de maaltijd gebruiken?’

De rest van het onderhoud valt onder het colloque singulier. Maar parbleu, toen Francken een paar uur later terugreed naar huis, was hij waarlijk een ander mens. Hij belde zijn voorzitter met het verzoek enkele geruchten over het koningshuis voorlopig niet wereldkundig te maken: nee, het was niet Laurent die een potvis in Heist had laten slingeren. Nee, Filip had geen brief met wit poeder verstuurd. Nee, het klopte niet dat Fabiola zich op kosten van de belastingbetaler klaarstoomde voor de Elfstedentocht.

‘En nog iets, voorzitter’, prevelde Francken. ‘Zou onze partij niet voor opvang kunnen zorgen voor twee ouwe mensjes uit de Walen?’

© 2012 Corelio

Artikelinformatie

Datum publicatie: 11 februari 2012
Pagina: 38
Aantal woorden: 1028
Auteur:
Tags: