Monarchie


Monseigneur Philippe,

Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: ik ben een republikein. Ik neem aan dat u de standpunten van mijn partij kent. De functie van staatshoofd zou open moeten staan voor iedereen die zich geroepen voelt om zich daarvoor kandidaat te stellen.

Het blijft mij nog altijd een raadsel dat progressieve politici, die de waarden van de Franse Revolutie prediken, amper kritiek hebben op het feit dat het hoogste ambt in dit land alleen u toekomt. U wordt koning, niet omdat het volk dit zo beslist heeft. Of omdat u slaagde in selectieproeven. U wordt koning omdat u lid bent van de familie van Saksen-Coburg en u de eerste in rang bent, volgens de logica van een feodaal systeem.

Uw toekomstige opdracht weegt zwaar op u. Zo maak ik op uit uw onwennige houding. ‘Prins Hark’ noemen onze noorderburen u. Niet beleefd, maar uw lichaamstaal en pose verraden dat u lijdt onder de druk van deze verplichting.

Eenieder weet dat uw plichtsbesef groot is. Laat dit nu net zowel uw sterkste als uw zwakste punt zijn. In dat opzicht lijkt u meer op uw oom en mentor Boudewijn als op uw vader. Uw plichtsbesef, maar ook uw koppigheid hebben u in het verleden al in de problemen gebracht. U bent door de premier fors terechtgewezen toen u stelde dat de mensen en partijen die tegen België zijn met u te maken zullen krijgen. ‘Prins Flater’, menen onze noorderburen. Ik houd niet van zulke verwijten, ieder heeft zijn eigen stijl.

“Als Filip ooit de troon bestijgt, kan er wel eens een nieuw tijdperk-Boudewijn aanbreken”, voorspelde koningskenner Jan Van den Berghe in 2004. Als het van ons afhangt, komt het nooit zover. In Vlaanderen leeft er een brede consensus onder de bevolking dat de koning geen politieke macht meer mag hebben. Zeker tijdens en na de onderhandelingen van 2010, waarbij uw vader zich inschakelde als politiek verlengstuk van de PS. Op die manier werkte hij actief mee om de N-VA uit de regeringsonderhandelingen te krijgen. Sindsdien heeft Vlaanderen geen zin in un roi politique.

De tijd is rijp om deze Vlaamse consensus om te zetten in politieke feiten. In de louter protocollaire rol die we voor u nog weggelegd zien, zal u geen beslissingen moeten nemen over de regeringsonderhandelingen. Met de verkiezingen van 2014 in het vooruitzicht kan dit u veel kopzorgen besparen. En het feit dat u – in onze ogen – ook geen wetten zou hoeven te ondertekenen, lost alvast een mogelijk gewetensbezwaar op, zoals uw nonkel Boudewijn overkwam na de parlementaire goedkeuring van de abortuswet.

Binnenkort zullen bepaalde mensen u overladen met complimenten. In feite proberen ze u af te schermen van de buitenwereld en van wat werkelijk leeft in dit land. Ongetwijfeld zal uw entourage u voor ogen houden dat België één en ondeelbaar is. “L’union fait la force.” Voormalige en huidige Kamervoorzitters zullen het bordes passeren om dit te benadrukken. Ministers in functie en ministers van Staat zullen op de koffie komen en u adviseren de “separatistische tendensen” in dit land te negeren. Sommigen zullen u misschien opstoken om met Kerstmis een donderspeech te geven. Omfloerst of niet.

Trap daar niet in. U zal aan het hoofd staan van een staat genaamd België, waarin twee naties naast mekaar leven: Vlaanderen en Franstalig België. Elk met hun eigen politieke partijen, hun eigen media, hun eigen taal, muziek, cultuur, zelfs met hun eigen humor. Ga er niet van uit dat u hierin enige verandering kan brengen. Want ook u heeft uw keuze al gemaakt, Philippe.

Volgende week legt U de eed af in de “Verenigde Kamers”. Wees gerust. In tegenstelling tot wat uw vader en oom overkwam, zal ik niet “leve de republiek!” scanderen. Als democraat in hart en nieren blijft het voor mij wel een pijnlijke gebeurtenis. Het is eigen aan het parlement om te debatteren met collega’s waar men ideologisch soms mijlenver van verwijderd staat. Maar we hebben toch allemaal één ding gemeen: we zijn verkozen als vertegenwoordigers van het volk. Zo werkt dat in een democratie.

Maar, begrijp me niet verkeerd, ik neem u niets kwalijk. Het is niet uw keuze om koning te worden. Deze beslissing is het gevolg van het feit dat u in een bepaalde familie werd geboren. Wie weet had u wel andere ambities? Helikopterpiloot worden? Met uw mooie gezin naar een pretpark gaan zonder dat iemand zich daar vragen bij stelt en vooral ook zonder pers in de buurt. Of gewoon een pint gaan drinken op vrijdagavond, na de werkweek.

Tot slot. Sinds enkele maanden ben ik burgemeester van de gezellige Brabantse gemeente Lubbeek. U bent welkom, maar verwacht geen grote festiviteiten of pracht en praal. En een gesprek over het anachronisme van een monarchie in de 21ste eeuw, dat zou boeiend kunnen zijn.

Ik groet u met bijzondere achting,

Theo Francken

Kamerlid N-VA

 

Republiek of monarchie? Het blijft een gevoelig onderwerp, ook voor onze eigen achterban. Heel wat Vlamingen houden immers van hun koning. Al mag dat niet overdreven worden. Uit recent onderzoek van de KU Leuven blijkt dat amper een kwart van de Vlamingen veel tot zeer veel vertrouwen heeft in de koning, 40% heeft weinig tot zeer weinig vertrouwen en een derde heeft geen mening. Samen met politici en journalisten is de koning gebuisd met 4,3 op 10 op de vertrouwenstoets. De subjectieve rol van de koning in de regeringscrisis, zijn jaren ’30 kersttoespraak en de financiële en andere strapatsen van zijn familie deden zelfs zijn trouwste fans knarsetanden.

De N-VA is en blijft een republikeinse partij. De monarchie is een achterhaalde staatsvorm, het geboorterecht strookt niet met de democratische basisbeginselen. Maar we zijn Realpolitiker genoeg om te weten dat de republiek nog niet voor morgen is. Op dit ogenblik bestaat er geen parlementaire meerderheid om de monarchie te doen uitdoven. Kortom, de N-VA wil meewerken aan de hervorming van de Belgische monarchie.

Of het ook realistisch is, dat blijft een groot vraagteken. ‘Qui mange du roi en crève!’ Dat de Franstaligen morgen hun koning zullen afvallen, is een illusie. Ook al weten we dat het in het verleden wel even anders is geweest, denken we maar aan de periode na de tweede wereldoorlog en het gedwongen aftreden van Leopold III.

Dat de Franstaligen morgen wel voorzichtig durven pleiten voor een moderne monarchie waar transparantie de stelregel is, is minder irrealistisch.

Hoe dan ook, in het monarchiedebat leggen we volgende veranderingsvoorstellen op de tafel:

1/ Sla de weg in van de protocollaire monarchie zoals in de Scandinavische landen. Geen politieke opdrachten meer, enkel nog lintjesknippen en koninklijke bezoeken. Geen medeondertekening meer, geen formatieopdrachten, geen militaire functies. Zeggen dat België zonder koning nog altijd geen regering zou gehad hebben, is totaal gratuit en toont net aan hoe erg het gesteld is met ons land. En plaats de kabinetschef van de koning onder politiek toezicht zoals in Nederland.

2/ Kom met één begroting: transparant, overzichtelijk en vooral ‘all in’. Transparantie is hét modewoord van deze tijd, doe het dan ook in het koningschap. Zonder transparantie smelt het maatschappelijk draagvlak voor de monarchie als instelling als sneeuw voor de zon.
Het kan toch niet dat ik tientallen parlementaire vragen moet stellen vooraleer ik een totaalbeeld krijg van de effectieve kostprijs van de Belgische monarchie? Zelfs de relatiegeschenken worden niet door de Civiele Lijst gedragen, maar door de POD Wetenschapsbeleid. En doe zelf wat je van anderen verwacht. Het blijft onvoorstelbaar dat de straffe woorden van de koning in zijn kersttoespraak ‘dat iedereen zijn steentje zal moeten bijdragen om de crisis te bestrijden’ zich niet vertalen in zijn eigen portefeuille.

3/ Laat alle uitgaven voor de functie-uitoefening controleren door het Rekenhof, ook die van de Civiele Lijst. Als er geen geheimen te vertellen zijn, waar wachten ze dan op? De koninklijke familie zou zichzelf trouwens een dienst bewijzen moest ze externe controle op haar interne keuken toestaan.

4/ Betaal belastingen, BTW en accijnzen zoals iedereen. Terwijl zijn ‘onderdanen’ zich blauw betalen aan de accijnzen en btw op benzine en diesel, tanken de koning en zijn gevolg met rode benzine en diesel. Hoe blauwer het bloed, hoe roder de diesel. Dit is niet meer van deze tijd. Kan trouwens iemand me eens uitleggen waarom iemand als Laurent geen belastingen moet betalen?

5/ Beperk de dotaties tot de troonopvolger, de koningin-weduwe en eventueel de koning die troonsafstand heeft gedaan. En verlaag de dotaties. Zo blijft de aangepaste dotatie voor de koningin-weduwe een veel te hoog pensioen. De Belgische staatskas moet toch niet bijdragen aan de erfenis voor de Spaanse neefjes en nichtjes van de rustende vorstin? En voor de eerste keer in de geschiedenis staan binnenkort een koning en koningin, een koning op rust, een koningin-weduwe, een koningin-op-rust, een werkloze prins en een prinses op de Belgische payroll. “Een president kost ook geld.” hoor ik dan vaak. Zeker wel, maar toch veel minder en zijn loon is individueel, niet voor de ganse familie.

Ik hou van Jo Van Damme’s pen. Ik verslind al jaren zijn columns. Samen met KNACK’er Koen Meulenaere goed voor Vlaanderen’s beste satire. Het is dan ook een hele eer om dit weekend centrale gast te zijn in Parbleu!

De vorst en de vrieskou

De vorst en de vrieskou

‘Wat is dat toch met u, meneer Francken? Om de andere dag komt u met een ander bezwaar tegen mij en mijn familie aanzetten’

Het was de barste dag van het jaar en heel het koninkrijk kreunde onder de winter. Nergens echter was de vrieskou bijtender, de wind guurder en de mist hardnekkiger dan hier, in dit deel van de Belgische Ardennen, op de rotsen hoog boven de Lesse. In dit landschap troffen wij Theo Franken aan.

Het N-VA-kamerlid had het al van in het begin een bijzonder vreemde uitnodiging gevonden, maar zijn nieuwsgierigheid had het gewonnen van zijn wantrouwen. Hij had een rode das geknoopt – zijn battledress als hij ergens de Vlaams-nationale zaak moest gaan bevechten – en was strijdvaardig aan de verre, eenzame rit begonnen. Toen hij het kasteeldomein van Ciergnon opreed, was hij opgelucht dat hij eindelijk nog eens een levende ziel zag, een bekend gezicht tevens, zij het niet meteen van een medestander.

‘Kom binnen, mon cher. Gemakkelijk gevonden?’, verwelkomde de gastheer hem allerhartelijkst.

‘Dat viel mee, sire’, antwoordde Theo Francken koeltjes, hier bedoeld in figuurlijke zin. Hij verbaasde zich erover dat zijne majesteit zelf de deur kwam openmaken. Nog meer verwonderde hem de uitdossing van de koning der Belgen: deze oogde niet bepaald formeel, zag er eerder sjofel uit. De vorst (we bedoelen dan de persoon, niet het weertype) droeg verschillende lagen truien en jassen boven elkaar en had een wollen muts diep over zijn oren getrokken. Geruite pantoffels en een dikke sjaal werkten het plaatje af.

‘Hier, pak aan’, sprak de koning, terwijl hij zijn gast een bedsprei aanreikte. ‘Sla dit maar om uw schouders, mijn beste, het is wat frisjes binnen.’

Dat was niet gelogen. Het N-VA-kamerlid merkte dat ook binnen de muren van het kasteel nog elke ademstoot in damp veranderde. Hij kon de aanvechting niet bedwingen om met zijn voeten op de grond te stampen om zich wat op te warmen.

‘Ja, een kasteel in de Ardennen, de mensen zien daar alleen het schoonste van. Maar 42 kamers, hoge plafonds, kieren en tochtgaten aan alle kanten, een mens stookt zich daar een ongeluk aan’, jammerde de vorst terwijl hij voorliep naar de achterkeuken. Daar was de enige bron van warmte een aftands straalkacheltje. IJsbloemen tekenden zich af op de ruiten. ‘Het is de enige plek in dit rotkasteel waar het niet vriest. Maar straks zullen we misschien de haard kunnen aansteken’, kondigde Albert aan, ‘Mijn echtgenote is momenteel in het bos wat hout aan het sprokkelen.’

Theo Francken vond het allemaal goed en wel, maar wilde nu toch zo langzaamaan eens vernemen waaraan hij deze vreemde audiëntie te danken had. Een beredeneerde gok: zijn interventie in de commissie Binnenlandse Zaken eerder deze week was de koning in het verkeerde keelgat geschoten. Francken had geïnsinueerd dat Albert zich door het plaatselijke OCMW had laten betalen voor de opvang van een Afghaanse familie asielzoekers in een woning op het domein van Ciergnon. Deze informatie bleek niet over de hele lijn te kloppen: de koning had nooit een eurocent gevraagd en nooit een eurocent gekregen.

De vorst sprak het kamerlid daarom als volgt toe, geduldig, zij het ietwat grimmig: ‘Het OCMW betaalt weliswaar de elektriciteit en de verwarming van onze Afghaanse buren in hun prima gerenoveerde woning. Daar ben ik trouwens heel blij om, want waar zouden mijn echtgenote en ik dezer dagen anders moeten aankloppen om onze oude knoken nog eens op te warmen, om nog eens een warme douche te nemen? Vriendelijke, sympathieke mensen, onze Afghaanse buren. Zij wonen hier al twee jaar en vinden het hier allemaal prima geregeld. Waarom bent u daar dan zo door gebeten, meneer Francken? Hoeveel asielzoekers geeft u dan misschien zélf onderdak?’

In alle andere, minder onderkoelde omstandigheden had het N-VA-kamerlid een snedige repliek geproduceerd bevattende de woorden ‘kaakslag’, ‘profitariaat’ en ‘twijfelachtige barmhartigheid’. Maar Francken, die zijn billen onderhand aan het formica zitvlak van zijn achterkeukenstoeltje voelde vastvriezen, kon alleen maar verlangen naar het moment dat hij weer in zijn verwarmde wagen zou zitten.

‘Wat is dat toch met u, meneer Francken?’, ging de koning daarom voort. ‘Om de andere dag komt u met een ander bezwaar tegen mij en mijn familie aanzetten. U vecht onze dotatie aan, u beweert dat onze Laurent een dikke Mercedes cadeau heeft gedaan aan mevrouw Van Wanten, u eist de Atoma-schriftjes van wijlen mijn broer op, straks gaat u nog beweren dat mijn vader fout was in de oorlog. Ik herhaal mijn vraag: wat is dat toch met u?’

Francken haalde zijn schouders op, zowat de enige beweging waar hij nog toe in staat was.

‘U houdt niet van mijn familie’, zuchtte de koning. ‘U wilt dat ik met pensioen ga. Wel, ik kan u verklappen: ik wil ook niet liever. Maar uw inspanningen zijn contraproductief. Hoe meer u op mijn koningschap inhakt, hoe populairder ik word. Iedereen is immers bang voor wat er na mij komt, en dus houdt men mij op post. Maar ik ben 77, ik heb een bootje in Frankrijk, gun me nu toch eens een rustige oude dag.’

Op dat moment verscheen hare majesteit in het deurgat: een deerniswekkende figuur. Ook zij was gehuld in verschillende lagen lompen, een muts op haar verkleumde kopje, ijspegel onder aan haar neus. In haar handen hield ze enkele dorre takken, een paar zwavelstokjes ook.

‘Ik heb van onze Afghaanse buren een blik bonen cadeau gekregen’, piepte ze. ‘Misschien kunnen we dat opwarmen en dan samen de maaltijd gebruiken?’

De rest van het onderhoud valt onder het colloque singulier. Maar parbleu, toen Francken een paar uur later terugreed naar huis, was hij waarlijk een ander mens. Hij belde zijn voorzitter met het verzoek enkele geruchten over het koningshuis voorlopig niet wereldkundig te maken: nee, het was niet Laurent die een potvis in Heist had laten slingeren. Nee, Filip had geen brief met wit poeder verstuurd. Nee, het klopte niet dat Fabiola zich op kosten van de belastingbetaler klaarstoomde voor de Elfstedentocht.

‘En nog iets, voorzitter’, prevelde Francken. ‘Zou onze partij niet voor opvang kunnen zorgen voor twee ouwe mensjes uit de Walen?’

© 2012 Corelio

Artikelinformatie

Datum publicatie: 11 februari 2012
Pagina: 38
Aantal woorden: 1028
Auteur:
Tags:

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 25 andere volgers